Strict Standards: Non-static method timezone::is_dst() should not be called statically in /var/www/vhosts/dijkhuiscommunicatie.nl/httpdocs/textpattern/lib/txplib_misc.php on line 2545

Strict Standards: Non-static method timezone::is_supported() should not be called statically in /var/www/vhosts/dijkhuiscommunicatie.nl/httpdocs/textpattern/lib/txplib_misc.php on line 2713
Dijkhuiscommunicatie - specialist in communicatie op de werkvloer: Lezing over tijdsbeleving

DIJKHUISCOMMUNICATIE in contact met de werkvloer

Lezing over tijdsbeleving

Op 30 oktober 2015 heb ik een lezing gegeven over tijdsbeleving, in de Stoomhal  vlakbij Zaandam. Dit was naar aanleiding van de afsluiting van de expositie over het tijdnetwerk in de ijzeren eeuw van het Museum van het Nederlandse Uurwerk. Tijdens de Collegetour werd er gesproken door: Teun Koetsier (De klok en de industriële revolutie), Jan Korsten (Nieuwe technologie in de ijzeren eeuw), Carel Hofland (De komst van het tijdnetwerk), Rob van Gent (Tijdsystemen tussen 1800 en 2000) en Hans Goedkoop (IJzeren eeuw)

meer informatie over het museum vind je op www.mnu.nl

de lezing vind je hieronder.

 

 

 


Meer... >

Collegetour

het tijdnetwerk


Deze lezing  is gehouden door Marli Falize ter gelegenheid van de afsluiting van de gelijknamige tentoonstelling van het Museum van het Nederlandse Uurwerk op 30 november 2015 in de Stoomhal in Wormer 14.35-15.10 uur.


Tijdsbeleving: Heb je even voor mij?


Intro

 

In oktober 2002  domineerde Frans Bauer wekenlang de hitlijsten met de aanstekelijke hit ‘Heb je even voor mij, maak wat tijd voor me vrij.’  Ik werkte destijds op de PR-afdeling bij brancheorganisatie Transport Logistiek Nederland waar we dat liedje nog al eens inzetten als we de koppen bij elkaar moesten steken.  ‘Even’ en ‘Wat’  pasten als gegoten bij mijn plannerige én wanige baan en verhulden meestal een tijdsclaim. Ik was zelf ook een veelvuldig gebruiker van het woord ‘even’ niet alleen om andermans tijd te claimen, maar ook in de zin van ‘oh dat doe ik wel even’ en kwam daardoor in gevecht met de klok omdat de tijd op mijn horloge zoveel sneller ging dan in mijn beleving.  Die beleving dat de tijd versnelt, is precies wat er gebeurt als je het druk hebt.

Over de botsing tussen absolute kloktijd en relatieve tijd, zijn boekenkasten volgeschreven. Dat geldt ook voor het begrippenpaar circulaire - en lineaire tijd. Met deze vier vormen van tijdsbesef start ik mijn verhaal.  Daarna zoom ik in op de absolute en lineaire tijd met 1. het Scientific management van Taylor, 2. de prikklok en 3. de lopende band. Dat doe ik aan de hand van de mijngeschiedenis van Zuidoost Limburg. Mijn opa’s werkten er onder de grond als mijnwerker. Mijn vader later boven de grond als programmeur  bij de opvolger Dutch State Mines, DSM. En ikzelf keek tussen 1972 en 1976 vanuit mijn slaapkamerraam naar de twee schoorstenen van de Oranje Nassaumijn die in de Heerlense volksmond  Lange Jan en Lange Lies werden genoemd en zag hoe ze in 1976 en 1977 werden opgeblazen. Vandaag de dag lijken veel Nederlanders een groot tekort aan tijd te ervaren. Met de vraag hoe gestrest Nederland is en in hoeverre we naar een nieuw tijdsconcept gaan, sluit ik af. 

 

1.                Vier vormen van tijdsbeleving

 

1.     Tijdsbeleving: absolute tijd

Lang voordat er atoomklokken waren met een nauwkeurigheid van veel getallen achter de komma, en de tijd nog werd gemeten aan de hand van het verstrijken van een kaars, of het leeglopen van een vat water, was er het concept van absolute tijd. De Grieken Parmenides en Plato meenden in de vijfde eeuw voor Christus dat verandering schijn is en dat tijd een eeuwigheidswaarde heeft. Niemand zou merken als de tijd honderd jaar zou stilstaan.  In de 17de eeuw ging Newton op deze lijn verder. Hij meende dat aan absolute ruimte en tijd alle bewegingen konden worden afgemeten.  Newton beschouwde tijd als een fundamenteel onderdeel van het universum dat onafhankelijk van alles doortikte. Ook in deze tijd wordt de absolute tijd verdedigd. De fysicus Lee Smolin beweert dat tijd geen verzinsel is van de psyche, maar echt bestaat. Hij baseert zich daarbij op moderne inzichten van kwantumzwaartekracht.


2.     Tijdsbeleving: relatieve tijd

Even oud zijn de ideeën over de tijd die elastisch is als een lang gekauwde Bazooka kauwgum. In 400 voor Chr. vergeleek Aristoteles de tijd met een stromende rivier, waarvan de waterdruppels elkaar in snel tempo opvolgden en die ieder moment anders is.  In het begin van de 20ste eeuw - we maken een grote sprong naar de Industriële revolutie 2.0,  naar een wereld die via tijd- en plaatsnetwerken met elkaar verknoopt raakte -  was Einstein de bekendste  pleitbezorger van de relatieve tijd. Hij legde relatieve tijd uit als een vergelijking waarbij een uur praten met een leuk meisje voelt als een minuut terwijl  een minuut zitten op een brandende kachel een gevoelswaarde heeft van een uur. Einsteins tijdgenoot, de Franse filosoof Henri Bergson is voor deze bijdrage nog interessanter al is hij minder bekend. Hij vond dat de mens door de klok een machinemens was geworden die enkel reageert op externe stimuli en daardoor zijn innerlijke klok niet meer hoorde tikken. De klok waar mensen zo aan gehoorzaamden registreerde de absolute tijd van de natuurkundigen die de statica en mechanica van dode materie bestuderen. Als er al beweging is,  dan ligt die vast in een voorspelbaar mechanisme.  Met het enkel volgen van die klok staat volgens Bergson de persoonlijke vrijheid, zelfsturing en menselijkheid op het spel. De onvoorspelbare innerlijke klok is van belang voor mensen om hun omgeving te beheersen en te groeien. 

 

3.     Tijdsbeleving: circulaire tijd

Laten we beginnen met de circulaire tijd die staat voor vertrouwen, voorspelbaarheid en traditie. In het einde zit het begin verborgen. Dood én reïncarnatie. De circulaire tijd is terug te voeren tot de Maya’s, de oude Grieken, de Romeinen, de Kelten en de Germanen. Allen kenden rituelen die op gezette tijden terugkeerden. Gekoppeld aan het 365-dagen rondje van de aarde om de zon, die van 29,5 dagen van de maan om de aarde  en die van 24 uur van de aarde om zijn eigen as. Deze terugkerende tijden zijn zichtbaar in de seizoenen, in dag en nacht,  in de wassende en afnemende maan, in eb en vloed. Wat weer doorwerkt op het ritme van rust en activiteit van planten, dieren en mensen. Hormonen en zenuwstelsel zorgen er voor dat alle 60 biljard cellen samenwerken en dat de uiteenlopende ritmes van  het hart, de longen, het spijsverteringsstelsel, de voortplantingsorganen op elkaar blijven afgestemd.

Ook zelf bedenken we rites die terugkeren. Denk aan de week met zijn 168 uur die 52 keer per jaar terugkeert. Denk aan de maaltijden. Denk aan sport –en spelmomenten op vaste dagen.  Denk ook aan werk  met organisatiecycli zoals jaar en kwartaalcijfers, vakantieperiodes,  beoordelings- en functioneringsgesprekken. Er is zelfs een managementkwaliteitsconcept in de vorm van een cirkel gegoten, namelijk die van Deming met een cyclus van plannen, doen, checken en handelen.

 

4.     Tijdsbeleving: lineaire tijdbesef

Het lineaire tijdsbesef is als een pijl die naar voren suist en raakte in zwang toen de Joden, de Christenen en de Moslims  de mythologische godenwereld vervingen door één god.

De tijd begint met een scheppingsverhaal en eindigt met de dag des oordeels met daartussenin onomkeerbare gebeurtenissen. Er is een verleden. Een nu. En er is een toekomst. De geschiedenis mag zich dan wel herhalen maar dan wel op een manier die uniek is voor het tijdsgewricht.  De oude kerkvader Augustinus zette zich rond 400 na Chr. af tegen het circulaire tijdsbeeld van de Romeinen en oude Grieken.  Door de tijd circulair te beleven was het alsof mensen gevangen zaten in eeuwig durende rondjes. Daartegenover zette Augustinus het idee dat het  verleden in de herinnering leeft, het heden in de aandacht en de toekomst in de verwachting. De kijk van Augustinus op de tijd was nauw verbonden met de Christelijke heilsleer want de verwachting was gericht op de verlossing op de dag des oordeels. Tijdens de Renaissance werden de oude Grieken opnieuw gelezen en bestudeerd. Dit gaf een impuls gaf aan de wetenschappelijke revolutie in de zeventiende en achttiende eeuw:

-          met Galileo Galilei die een hartmeter ontwikkelde en nadacht over de pendule als regulator van een mechanische klok;

-          en met Christiaan Huygens die daarop voortbouwde  en de penduleklok uitvond,  honderd keer nauwkeuriger dan de waagarmklok uit zijn eigen tijd. Deze nauwkeurigheid op de minuut, bracht de vaststelling van de lengtegraad op zee dichterbij waardoor de plaatsbepaling op zee ook nauwkeuriger werd.

Via tal van nieuwe uitvindingen die daar weer op voortbouwden, zouden tijd en plaats, meer met elkaar verbonden raken tot aan onze tijd toe waarin we all over the world én eindeloos én in fracties van secondes, instant-berichten kunnen sturen.

Dit wat betreft de  verschillende visies  op tijd. We gaan nu focussen op de absolute tijd- de precieze kloktijd afgeleid van hemellichamen, kwarts en atomen. En op de lineaire tijd - de tijd als een pijl- de tijd van toen, nu en straks en van altijd meer en beter. Ik wil het met u hebben over de gelijkstelling van tijd aan geld en hoe de lopende band, de prikklok en het Scientific management van Taylor, als drie representanten daar een invloedrijke rol in hebben gespeeld en hoe dat uitpakte in de Staatsmijnen.

 


 

2.        Tijd is geld: Taylorisme, prikklok en lopende band

 

Taylor en het Scientific management

In de 19de eeuw zouden de Verenigde Staten zich ontwikkelen als dé grootste productiehal van de wereld zoals nu China dat is. Terwijl de afzetmarkt in Europa versnipperd was door taalgrenzen en politieke machtsverhoudingen, hadden de VS een grote afzetmarkt.  Er werd  veel geïnvesteerd in machines om de productietijd te verkorten. Want tijd is geld. Werkplaatsen veranderden in grote fabrieken met allerlei nevenvestigingen. Tussenbazen vervingen het contact tussen eigenaar en werknemer.  Met de productiviteit ging het crescendo totdat er wrijving ontstond tussen arbeiders en werkgevers. Het conflict ging om de vraag wie beloond zou moeten worden voor de productiegroei en hoe: de arbeiders die werkdagen van meer dan twaalf uur maakten onder moeilijke werkomstandigheden? Of de fabrikanten die geld investeerden in tijdbesparende machines ? Het Amerikaanse fabriekssysteem kraakte. Vakbonden en socialisten énerzijds en goed opgeleide arbeiders van machinefabrieken zoals Frederick Taylor ànderzijds, dachten mee over alternatieven. 

Taylor werkte als ingenieur in een metaalfabriek. Taylor bekeek de fabrieksorganisatie als een lopende machine die je met een wetenschappelijke benadering aan de praat kon krijgen en houden. De fabrieksplaats zoals hij die vaak aantrof was er een van chaos en willekeur, waar werknemers onderpresteerden en waar bazen de grip op de kennis kwijt waren. Hij wilde de kennis van alle werknemers  op één plek onderbrengen waarmee hij een scheiding aanbracht tussen kantoorwerk en uitvoerend werk. Hij hield een pleidooi voor  experimenten, administratieve verbeteringen, tijdstudies, prikklokken, centrale inkoop, standaardisatie en coördinatie van productiestromen. Hij ijverde voor een autonome planningsafdeling en voor gespecialiseerde voormannen aan wie de werknemers verantwoording schuldig waren. Om de arbeiders te motiveren zouden ze moeten delen in de winst. Tenminste als na de invoering van alle organisatieverbeteringen kon worden vastgesteld, dat de arbeidsproductiviteit was gestegen. In 1903 en 1911 schreef Taylor twee bestsellers met zijn ideeën over Scientific management die ook in diverse Europese landen verschenen. De mijnbouwingenieurs  Cornelis van Nes en Christiaan Groothoff raakten hier ook mee bekend en zouden dit gedachtegoed in de jaren twintig en dertig in praktijk brengen bij de Staatsmijnen in Zuidoost Limburg. 

 

Taylor’s invloed  in de Nederlandse staatsmijnen

Toen de Staatsmijnen in 1898 startten met de exploitatie,  was de omgeving van Heerlen overwegend agrarisch met besloten gemeenschappen waar het ritme van landbouw de stille en drukke periodes van het jaar markeerden. Binnen dertig jaar groeide deze streek uit tot een van de meest geïndustrialiseerde stukjes Nederland, een  stedelijk gebied waar steeds nieuwe mensen uit andere delen van Limburg, Nederland en daarbuiten samenkwamen om te wonen en werken in een groeiende industrie met tal van technische innovaties en uitdijende wijken. The only way was up en tijd werd geld.

De concurrentie op de Europese kolenmarkt was groot en dat maakte het aantrekkelijk om te pionieren met het gedachtegoed van Taylor en zijn Scientific management.  Groothoff  die in de jaren twintig verantwoordelijk was voor de coördinatie van vier staatsmijnen  en zijn collega Van Nes werkten met  gedetailleerde jaar- en vijfjarenplannen. Als onderlegger gebruikten ze daarvoor tijdstudies van alle onderdelen van de mijnarbeid. Dit zorgde voor een regelmatige voortgang en een zuinige werkwijze . Het centraliseren van informatie gaf directies grip op alle aanwezige kennis en daarmee ook op de loonkosten. Dit ging samen met een strikte scheiding tussen kantoorwerk en handenarbeid wat sterk gecultiveerd werd door de directies en zowel bínnen als buiten de mijnen zijn weerslag vond in de omgang met tijd en aanspreektoon.  Ook waren er aparte wijken en uitgaansgelegenheden voor mijnwerkers en beambten.

 

Prikklok en penningen of het toezicht op

begin-en eindtijden

Werktijd en de uitbetaling daarvan in tijdloon, viel en stond met de bepaling van de begin- en eindtijden. De eerste prikklok die op grote schaal werd gebruikt in grote en kleine fabrieken was een uitvinding van de New Yorkse juwelier Willard Bundy. Hij ontwierp een mechanisch apparaat voor bij de  ingang van werkplaatsen en kantoren. Bij aankomst en vertrek staken werknemers er hun kartonnen kaart in die werd gestempeld op datum en tijd. Bundy had nog al eens wat conflicten meegemaakt  over de beleving van de tijd en merkte dat die naar ieders voorkeur kon worden uitgelegd. In 1888 zette hij samen met zijn broer Harlow Bundy de prikklok in de markt met diverse vestigingen in de VS. Hun bedrijf zou opgaan in Time Recorder Company dat vervolgens weer een onderdeel werd van  IBM met verkoop punten over de hele wereld. De prikklok werd daarmee een vertrouwd onderdeel van bedrijven.

Ook bij de Staatsmijnen was de prikklok een bekend verschijnsel. Daarnaast was er voor de mijnwerkers ondergronds een technisch eenvoudig, maar procedureel doeltreffend en streng controlesysteem op begin- en eindtijden.  Iedere ondergrondse mijnwerker had een penning waarin zijn unieke nummer was gegraveerd. Zonder deze penning mocht een mijnwerker niet naar beneden met de liftkooi van waaruit een ondergrondse trein hem met een uitgekiende dienstregeling naar het kolenfront bracht.  Tegen mijnwerkers die te vroeg of te laat afdaalden of te vroeg naar boven gingen, werd streng opgetreden, omdat ze de planning in de war stuurden. Dat was een doodzonde. Vertraging werd gezien als tijd - en geldverlies. Bij een geldige reden zoals ziekte of natte kleding door waterlekkage of andere pech, kreeg een mijnwerker toestemming van de opzichter om eerder te vertrekken met een andere liftkooi,  vergezeld van een briefje waarmee de penning kon worden opgehaald. Als een penning niet werd opgehaald gold een mijnwerker als vermist en werd er een zoektocht  ingesteld.  Een persoonlijke tijdbewaarder is minder objectief dan een prikklok, al wisten opzichters de afstand tot mijnwerkers groot te houden door ze met het nummer van hun penning aan te spreken. De strenge aankomst - en vertrekrituelen golden in veel mindere mate voor kantoorpersoneel dat meer ruimte en speling had om de werktijd in te delen. Deze klacht over strikte tijdscontrole was niet uniek voor de mijnen. Ook bij de NS, Hoogovens en Philips moesten arbeiders strikter klokken dan kantoormensen en werd dat als wantrouwen  gevoeld.

 

De lopende band loopt altijd door

De prikklok en de mijnwerkerspenningen zorgden voor een nauwkeurig toezicht op stipte aanvangst- en vertrektijden. De lopende band zorgde voor schaalgrootte en tempoverhoging. Ford voerde als een van de eersten rond 1913 de lopende band in om zijn Model T, doelmatiger, sneller en goedkoper te produceren. Hij heeft zich door Taylor laten inspireren.  De lopende band was een logische ontwikkeling tegen de achtergrond van de industrialisering en werd mogelijk toen elektriciteit en drukperslucht beschikbaar kwamen. Het vergemakkelijkte het vervoer van het product van arbeider naar arbeider, en deelde ingewikkelde werkzaamheden op in kleine partjes waarvoor weinig scholing vereist was. Ook dít concept werd vanuit Amerika  over de wereld verspreid.

Voor de Eerste Wereldoorlog stonden de mijnwerkers hooguit met zijn drieën naast elkaar om de steenkool uit de pijler te bikken.  De gewonnen steenkool werd in manden gegooid en door mensen en later door paarden weggesleept en via een schacht naar boven afgevoerd. Met het mechanische transport van schudgoten en transportbanden stonden ineens twintig  à dertig mijnwerkers naast elkaar in de pijler om steenkolen los te wrikken met hun pneumatische beitel. Dat vroeg om meer afstemming met de groep, wat spanningen met zich kon meebrengen als iemand het tempo niet bijhield, of juist te snel werkte. De transportband ging altijd door en kon alleen maar vooruit. Ook als er losgewrikte stenen uitstaken en verstrikt raakten met de luchtafvoerslang  van de pneumatische beitel. Dat leidde soms tot gevaarlijke situaties en ongelukken, wat het werken met de transportband mentaal intensief maakte.


Mijnen in crisistijd: oogsidderen of de fysieke

en mentale grenzen

Dankzij ingenieurs als Van Nes en Groothoff  die de voor die tijd moderne ideeën van Taylor invoerden,  werden de Staatsmijnen als een geoliede machine bestuurd. Het waren mijnen waar veel werd geïnvesteerd in nieuwe machines. De Staatsmijnen golden als ordentelijk en veilig,  en kregen vaak studiebezoek van andere Europese mijndirecties en afgevaardigden. De productiecijfers lieten een stijgende lijn zien. Als Taylor toen nog had geleefd, had hij trots kunnen zijn op zijn adepten. Ingewikkelder was de moordende concurrentie met andere Europese kolenlanden in de jaren dertig. De grote mogendheden schermden hun kolenmarkt af. Andere landen als Polen verkochten kolen tegen dumpprijzen. De mijndirecties drongen tevergeefs aan bij de regering om zelf ook tot protectie over te gaan. De  winst van de Staatsmijnen kwam onder druk te staan. Groothoff zei dan wel in toespraken dat mijnwerkers goed behandeld en betaald moesten worden voor hun inzet,  maar het bleef bij mooie woorden. Er moest meer gewerkt worden voor minder geld. Wie het tempo niet bijhield, liep kans op ontslag. De werkomstandigheden in de mijn waren sowieso al intensief maar werden door de crisis nog zwaarder. Ondergronds werken in de mijn in de jaren 1930 betekende werken in en met:

-          temperaturen rond de 30 à 40 graden Celsius;

-          lawaai van pneumatische beitels en lopende transportbanden;

-          wolken van stof door de gemechaniseerde beitels

-          bikkelen in pijlers van een halve meter hoogte;

-          brandgevaar door mijngas;

-          overstromingsgevaar door lekkages;

-          instortingsgevaar door het weghalen van stutten;

-          slecht zicht door de weerkaatsing van het lamplicht op de zwarte kolenlagen.

De kans op fouten nam toe door de druk, wat extra stres met zich meebracht vanwege de risico’s in de mijnen. Slecht zicht met een bovenmatige aanspanning van de oogspieren, kon leiden tot de aandoening nystagmus, oftewel oogsidderen. De spierspanning ontstond door te weinig licht, maar verergerde door stres. Fysieke en mentale klachten lopen door elkaar en versterken elkaar, maar de mijnartsen erkenden alleen de fysieke klachten. Stres werd afgedaan als renteneurose. Oftewel onwil om te werken. Naast trillende ogen en slecht zicht, kon oogsidderen zich ook uiten in hoofdpijn of mentale klachten als angst, moeheid of opvliegendheid. Deze aandoening kwam in het interbellum veel voor in alle mijnen van Europa, maar in die van de Staatsmijnen in Limburg het meest en mijnwerkers verzuimden ook langer met deze kwaal dan elders. De productiviteitscijfers lopen parallel aan de verzuimcijfers van oogsidderen. Het gaf mijnwerkers die het vol wilden houden, maar bang waren om hun baan te verliezen, even wat immuniteit.

In dit tweede deel heeft u kunnen horen hoe het Taylorisme , de lopende band en de tijdregistratie met de prikklok en de controlepenningen  bijdroegen aan hoge productiecijfers.  Door internationale concurrentie bleven winstcijfers achter. De druk werd op mijnwerkers opgevoerd en ging samen met een hoog ziekteverzuim vanwege de aandoening oogsidderen.

 

3.        21 ste eeuw:

           gestreste Nederlanders anno nu


Crisisjaren 2008 : van aanloop tot nu 

In vergelijking tot het fysieke werk in de mijn zijn de werkomstandigheden van dienstverleners anno nu riant. Maar toch. Nog steeds is tijd geld en ook nu vallen meer mensen uit het arbeidsproces dan tijdens betere tijden. De crisis van 2008 lijkt in vergelijking tot die van de jaren dertig een peulenschil, maar toch. In de jaren 1990 waren er trouwens niet veel mensen die vonden dat geld stonk. Sterker nog, rijk worden in korte tijd was en vogue. Huizen werden vanaf toen massaal verhypothekeerd, speculerend op de overwaarde daarbij geholpen door de overheid met belastingaftrek. Snelle tijd en snel geld bleek in 2008 een sprookje en de bankencrisis sleepte particulieren, bedrijven en overheden mee. Minder krediet. Minder mogelijkheden. Meer snijden in kosten. Meer concurrentie en druk op de prijzen en dus winstdaling.  Voor Nederlanders betekent dat meer doen in minder tijd. En dat betekent een snelle tijdsbeleving en kans op stres. ArboNed signaleerde in 2013 dat van al het verzuim ongeveer een derde stres gerelateerd is en dat de verzuimkosten daardoor stijgen. Veelzeggend in dit verband is de  overheidscampagne Check je werkstres uit het najaar van 2014.

Sinds 1975 organiseert het Centraal Plan Bureau iedere vijf jaar een tijdsbestedingsonderzoek.  Aan Nederlanders boven de twaalf jaar vraagt het bureau hoe ze de 168 uur per week verdelen over werk, school, mantelzorg, het huishouden,  slaap, eten en vrije tijd. Het laatste onderzoek dateert van 2013 en liet zien dat Nederlanders meer zijn gaan slapen, een stabiel slaap-en eetpatroon aanhouden en minder verplichtingen hebben. Dat klinkt rustgevend en lijkt in tegenspraak met de gegevens van ArboNed, totdat blijkt dat mensen met voltijdsbanen, mantelzorgers en taakcombineerders met jonge kinderen beneden de vier jaar, minder vrije tijd zijn gaan overhouden. Bij deze Nederlanders speelt vooral een rol dat ze meer ritmes op elkaar afstemmen dan anderen.


 -              Ritmes uit de eigen werkorganisatie. Reorganisaties volgen elkaar snel op en doorkruisen andere vaste ritmes wat voor extra druk zorgt;

-              Ritmes openbaar vervoer:  vertragingen leiden tot extra reistijd. Soms moeten afspraken verzet worden;

-              Ritmes  van de partner die ook werkt, reist en een rol in het huishouden en de opvoeding heeft;

-              Ritmes  van de kinderopvang en school:  soms flexibel geregeld maar niet altijd. Denk daarbij aan vakanties en vrije dagen;

-              Ritmes mantelzorg: bereikbaarheid van zorgverleners en uitkeringsinstanties.

Afstemmen op andere ritmes en dus communicatie, vraagt energie waar we ons niet altijd van bewust zijn. Net zomin dat we ons bewust zijn van de inspanningen van het zenuwstelsel en het hormonenstelsel die je kunt zien als het communicatieteam van OPOL (Onze Privé Organisatie Lichaam).  Ook zij zorgen er met hun berichten en feedback voor dat alle lichaamsritmes  op elkaar afgestemd blijven. Een beetje meer adrenaline? Dan wat minder insuline! Als degene die het te druk heeft  zijn energie niet tijdig aanvult,  of geen andere keuzes maakt, raken zijn of haar zenuwen en hormonen overbelast.  Dit maakt communiceren en contact onderhouden geleidelijk aan lastiger. Ook lichaamsfuncties kunnen er onder lijden zoals slapen, het hart of de spijsvertering.   

 

Minder geld meer tijd?

Ik wil gaan afronden met de vraag of we als maatschappij kunnen omgaan met minder geld als het meer tijd oplevert? Onderweg bij het schrijven van mijn nieuwe boek over biologische en culturele ritmes en communicatie, ben ik  interessante wegwijzers tegengekomen die ik helaas nu niet allemaal kan delen. Ze  gaven mij de indruk dat er meer ruimte komt voor het relatieve tijdsbesef met meer aandacht voor  tijd om creatief te zijn én voor circulaire biologische ritmes. Weet u nog van de filosoof Henri Bergson uit het begin van de twintigste eeuw, die ik in het eerste deel van deze lezing noemde als representant van het relatieve tijdsbesef? Hij vond het evolutieverhaal van Darwin met zijn survival of the fittest te mechanisch en stelde daar een andere evolutie tegenover: die van de mensen die niet als een machine aan tijdschemas gehoorzamen,  maar ook eigen tijd creëren, de innerlijke tijd.

Je hoort het Apostolos Sianos hem bijna nazeggen: niet de crisis maar jezelf creëert iedere dag de toekomst. Het heeft niets te maken met de buitenste cirkel. Sianos is één van de jonge Grieken die in 2008, het jaar van de crisis, startte met de zelfvoorzienende gemeenschap Vrij en Echt op het eiland Evia in Griekenland.

In eigen land is Gerhard Hormann een voorbeeld van iemand die The only way is up omzet naar Mag het ietsje minder voor meer rust met zijn bestsellers als De omgekeerde werkweek en Hypotheekvrij. In Hypotheekvrij  legt hij uit dat een huis aflossen tijd en moeite kost, maar dat daar rust en onderpand tegenover staan.

Een voorbeeld dat aanhaakt op het belang van meer afstemming op biologische ritmes is de Deense B-society. Ze proberen vooral de late chronotypes - de avondmensen- een hart onder de riem te steken met hun pleidooien om de 9.00-17.00 - werktijden  af te schaffen evenals de zomertijd. Of dat niet wat te activistisch is met nog geen 10% avondmensen, laat ik even in het midden, omdat het me nu gaat om de waarneming dat er meer waardering groeit voor biologische ritmes.

Ook organisatieadviseurs als Truus Poels en Henk Kraaijenhof zien het menselijk lichaam als een wegwijzer dat veel te lang genegeerd is en houden organisaties in transitie een spiegel voor uit de topsport. Ze raden bestuurders en managers aan om een voorbeeld te nemen aan de topsport waar rust naast activiteit een belangrijk onderdeel is van de training om betere prestaties te leveren. Te veel ritmes die door elkaar lopen zorgt voor chaos en uitval.

Bij dat verhaal sluit een praktijkvoorbeeld van een advocatenkantoor uit Utrecht naadloos aan. Advocatenkantoren, zeker de wat grotere, staan bekend om lange werktijden, aanwezigheidsplicht en urenschrijven. Nadat een paar medewerkers  burned out waren geraakt, ging het roer om en besloten de partners voortaan vier dagen te werken, Want je kunt niet iedere dag creatief zijn,  zoals de eigenaar zei. Doorwerken in het weekend komt niet meer voor en pleit niet langer in iemands voordeel. De inkomsten van de partners zijn stabiel gebleven.

Het leukste praktijkvoorbeeld en daarmee sluit ik af, is dat van een fabriek  voor bakkerijmachines in Limburg. Zij wilden meer op maat voor hun klanten  gaan produceren en verlieten daarom de gestandaardiseerde productieprocessen. De prikklok verdween, net als de lopende band. Er kwamen teams waarin denkers en doeners samenwerkten. De vergaderingen verdwenen en daarvoor in de plaats werden medewerkers iedere maand bijgepraat over de strategische ontwikkelingen door de directeur zelf.  Ooit begon de kritiek op het fabriekssysteem vanuit de socialisten en ingenieurs uit machinefabrieken. Taylor heeft met zijn werkwijzen en ideeën tot de dag van vandaag invloed gehad op de wijze waarop we in organisaties werken. Het is opmerkelijk dat er weer vanuit een machinefabriek een nieuwe wind opsteekt. En met dit laatste voorbeeld van absolute lineaire tijd revisited sluit ik af      

  

Heb je even voor mij?

Voorzitter, heeft u even voor mij? Kunt u nog wat tijd voor me vrijmaken?

Want hoe zit het nou met de Zuidoostelijke mijnstreek die in 1898 werd  wakker gekust door de absolute lineaire tijd?

In 1974 sloten de mijnen. Voor veel mannen die jarenlang ondergronds hadden gewerkt, maar nog  te jong waren om met pensioen te gaan, kwam de sluiting als een kater. Dat strakke bijna militaire regime van penningen, prikklok en transportband was intens geweest, maar de trotse voldoening die ook bij strijd kan horen, bleef uit. De mijn, de plek waar ze zo intensief hadden gewerkt, verdween en werd als een oude zieke man ten dode gegraven.  Met het verlies van de mijnindustrie, voelden velen zichzelf ook verloren en konden moeilijk aarden in een nieuwe en minder intense omgeving.  Voor de jongere mijnwerkers  en degenen die kantoorwerk deden, was de overgang naar een andere tijd gemakkelijker te maken.

Met het verlies  van zon grote industrie, was de  cohesie binnen wijken  niet langer vanzelfsprekend en vielen bestaande netwerken als die van de kerk, de sport- en muziekverenigingen langzaam uit elkaar. 

Heerlen verschoot gaandeweg van kleur. Eerst werden de schoorstenen opgeblazen, later volgden andere fabrieksgebouwen totdat er bijna niets meer over was.  De zwarte  steenkoolbergen werden groen. Ook de naam veranderde mee want Heerlen werd Parkstad. Dat groene geldt niet voor de leeftijdsopbouw want die vergrijst, wat overigens vanzelf een langzamer tempo met zich meebrengt.  

In de eerste drie decennia  van de twintigste eeuw was  Heerlen  een magneet  waar de bevolking vervijfvoudigde.  De laatste drie decennia zijn veel inwoners weggetrokken en krimpt de stad.  Veel  kinderen en kleinkinderen van werknemers van de Staatsmijnen zijn na de middelbare school vertrokken naar elders, dikwijls naar de Randstad. 

Mochten mensen denken dat Zuidoost Limburg in slaap is gevallen.Het grote spektakel en de zinderende dynamiek zijn met de mijnen vertrokken, maar met het zoeken naar nieuwe wegen en het herdenken van het mijnverleden, komt er meer perspectief op nieuwe kansen en tijden. Al dan niet als toevluchtsoord voor degenen die het horloge tijdelijk afdoen.   

 


 

route